Algemeen|Cultuur|Jeugd|Communicatie|Sport|Toerisme|OCMW|e-Loket|Nieuws
 
Algemeen
Terug in de tijd
Natuur en recreatiegebied
Beziens-waardigheden
Wandelen
Fietsen
Waterrecreatie en avontuur
Paard en ruiter
Onze producten
Logeren
Horeca



Ga naar het Engels
English


zoekenZoeken

 

toerisme  

 
Terug in de tijd

[Beernem] [Oedelem] [Sint-Joris]
 


Geschiedenis van Beernem

Beernem wordt al vermeld in een akte van 847 als Bernehem. De naam komt van het Germaanse ‘birnu’ (beer of modderige plaats in de vorm van een beer) en ‘hamma’ (een landtong die uitspringt in moerassig terrein). Het was duizenden jaren lang een desolate streek van bossen, heide en moeras. Feodaal was Beernem afhankelijk van het Vrije van Brugge en bestond uit een lappendeken van heerlijkheden. De bewoning lag toen hoofdzakelijk ten noorden van het huidige kanaal. Zuidelijk lag het onvruchtbare en woeste heidegebied het Bulskampveld dat zich toen uitstrekte van Torhout tot Bellem. Op het eind van de 18de eeuw werd dit onvruchtbare ‘veld’, deze ‘woestine’ ontgonnen. De rust en de natuur in de ontgonnen gebieden trokken de aandacht van rijke edellieden. Hun kastelen liggen nu nog verscholen in het groen.

 

Grafmonument van Ridder de Vrière
Grafmonument van Ridder de Vrière

Mysterie in de ‘bossen van Vlaanderen’

In het provinciaal domein Bulskampveld verwijst een grafmonumentje naar de eerste van de ‘moorden van Beernem’. De feiten werden geromantiseerd in de TV1-serie ‘De bossen van Vlaanderen’ en spreken tot op vandaag tot de verbeelding. Burgemeester Ridder de Vrière hield wel van een avontuurtje, en op een dag bezweek hij voor de charmes van de echtgenote van Baron d’Udekem d’Acoz (inderdaad, familie van…). Op zich geen groot nieuws, maar in 1915 wordt het lijk van de bedrogen echtgenoot teruggevonden in de omgeving van ’t Aanwijs. Niemand durft de Vrière hardop te beschuldigen, maar tijdens de jaren na die lugubere ontdekking, volgen nog een aantal moorden. Het gaat steevast om vermoedelijke getuigen of personen die beweren meer te weten over het drama. Beernem hult zich in bang stilzwijgen en pas wanneer een journalist uit Maldegem op onderzoek trekt, krijgt de rest van België het verhaal te horen. Uiteindelijk worden twee medewerkers van de burgemeester veroordeeld, maar de moorden houden pas op wanneer in de nasleep van WOII de gemeentesecretaris wordt vermoord. Ridder de Vrière was toen al overleden…

 

 

Geschiedenis van Oedelem

Oedelem is sinds 906 terug te vinden in geschreven bronnen. De schrijfwijze was toen Udelhem. De naam komt van ‘odila’ en ‘haima’ en betekent ‘woning van het erfgoed of van het domein’. Een naam die geen verwondering wekt gezien de heren van Praet al in de jaren 900 een ‘Heerlijkheid’ stichtten in Oedelem.
De Oedelemse geschiedenis gaat echter veel vroeger terug in de tijd. In een grafheuvel op Wulfsberge zijn sporen teruggevonden van prehistorische bewoning. Er zijn ook sporen van Romeinse aanwezigheid. In de kleiput van de vroegere steenbakkerij is zelfs een waterput uit de Romeinse tijd teruggevonden. In die tijd waren Oedelem, Maldegem en Aardenburg de meest noordelijke bewoonde plaatsen in de streek. Wat noordelijker lag was een groot moerassig gebied.

De steenbakkerij in Oedelem

Het bakken van stenen was dankzij de klei uit de ‘berg’ eeuwenlang een Oedelemse nijverheid. Van in de vroege middeleeuwen en wellicht zelfs vroeger werden in Oedelem stenen gebakken. De bakstenen en daktegels voor de Hallen in Brugge (rond 1300) kwamen uit Oedelem. Op een twintigtal plaatsen in de gemeente zijn nog kleiputten te vinden. Maar zelfs de eens bloeiende industriële steenbakkerij ‘Briquetteries et Tuileries d’Oedelem’ heeft de moderne tijden niet overleefd. De machinekamer met de beschermde armgasmotor, gasogeeninstallatie en dieselmotor is de stille getuige van de gloriedagen van de steenbakkersstiel.

De Oedelemse steenbakkerij
De Oedelemse steenbakkerij

 

 

 

Geschiedenis van Sint-Joris

De vroegste schrijfwijze ‘Diessele’ dateert van 1240, in 1906 werd het Sint-Joris ten Distel. Oorspronkelijk was het een desolaat heidegebied, behorende tot het Bulskampveld. Zeer lang bleef dit een bijna onbewoonde streek, met woeste gronden, een beetje bos, afgewisseld met poelen en uitgestrekte vijvers. Volgens de overleveringen zou een edelman hier in de 10de eeuw een kapel hebben gebouwd ter ere van de Heilige Joris, als dank omdat hij tijdens een jachtpartij gered werd uit de handen van struikrovers. In het dorp getuigen het Pelderijn (van het woord pilori, schandpaal), de Kooldreef en het kasteel ‘de Lanier’ nog van de middeleeuwse heerlijkheid van Sint-Joris. Het kanaal speelt uiteraard ook een rol in de geschiedenis van Sint-Joris. Lange tijd werd er vanuit Sint-Joris naar Gent en naar Brugge gevaren met de barges, de zogenaamde marktschepen.

 

Een lattenkliever
Een lattenkliever

Sint-Joris, het lattenklieversdorp

Via het kanaal werd Sint-Joris van dennenstammen voorzien, de grondstof voor de belangrijkste nijverheid van het dorp: het lattenklieven of de ‘lattenspletterij’. Door een reeks opeenvolgende splijtingen van boomstammen dunne en smalle latjes worden bekomen. Die latjes werden gebruikt voor bepleistering en stucwerk. Vanaf 1888 kende de lattenklieverij in Sint-Joris een grote bloei, door de komst van het houtbedrijf Lemahieu. Heel het dorp was bij het lattenklieven betrokken. De latten werden ook naar het buitenland uitgevoerd. Door de komst van de moderne bouwmethodes na WOII behoort het lattenklieven voorgoed tot het verleden.

     
 


Legenden en sagen

 


 
 
Ga naar de startpagina